In 2006 begon ik met het schrijven van poëzie.  Daar kon je tot voor kort alles over lezen op zevendezee.be . Maar een aparte site onderhouden voor poëzie werd een beetje te gek. Hier probeer ik wel een zevendezee-archief op te bouwen.

In 2009 werd ik lid van het dichterscollectief Pazzi di Parole  en in 2011 en 2012 was ik de derde dorpsdichter van Doel. Ik deed daar verslag van op de site DorpsDichterDoel. Met Pazzi di Parole bracht ik in het voorjaar van 2015 een gezamenlijke bundel uit rond stilte: ‘Een kier in het rumoer’. Sinds kort werk ik ook samen met het schrijfcollectief Woordwasdraad.  We plannen een grote activiteit in oktober, waarover binnenkort meer.

Ik heb enkele gedichten op soundcloud gezet: Observatie, Moeder en Barst. Ze zijn alle drie beland in de top 20 van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012/2013. Hieronder kan u ze lezen en ‘hier‘ kan u ze horen. Veel luisterplezier!

Observatie

Ze draaien rond in hun glazen lokaal,
terwijl god in een hoek zit te gluren.
Hoe de witte flappen van hun jassen
zwierig hun beweging onderstrepen,

het zegt hem niets. Hij leest het happen
van hun lippen, ziet hoe zijn naam
op elke tong verschijnt. Hoe hij alleen
de zaal in puin, een volle ziekenboeg

en alle hens aan dek. Daar is de naald,
daar zijn de lange mouwen. De woede
is voorbij, god reikt sereen zijn handen.

Hij wil alleen nog weten hoe ze vechten
voor hun leven. Wenen ze? vraagt hij.
Of knarsen ze met hun tanden?

Moeder

Alle dagen schrobt ze vergeefs het vuil
van de vloer, de huid van haar jongen,
haar eigen nagels stuk. Ze wringt de nek
van haar geluk in veel te nauwe kragen.

Alles moet schoon naar school en altijd
komt het vuil terug, nooit raakt ze daar
nog van af. Nooit heeft ze genoeg zeep
in huis en nooit is zij nog aan de beurt.

Van woede kookt ze haar eigen botten af,
spuwt een pan vol soep voor haar kroost.
Voeden is haar plicht. Zij eet alleen

brokken roomgele zeep, om de wrok
die naar haar lippen stijgt te stoppen.
En kauwt tot het schuim op haar tanden.

Barst

Er zit een barst in ons bestaan,
het is zo duidelijk dat niemand
hem ziet zitten. Iedereen kijkt
iemand anders aan. Een hond

haalt vrolijk een schouderbot
op en plots wil iedereen leren
apporteren. Wat kan een barst
de dartele tweevoeter schelen?

Er zit een barst in ons bestaan,
een camera staat vierentwintig
zeven aan, een waakhond blaft
naar vierentwintig schermen.

Elk scherm vertoont een identieke
barst. Een werkgroep stelt geen
onregelmatigheden vast.

Soms sta ik met mijn gedichten op één of ander podium, en na afloop komt er vaak iemand vragen waar ze die ‘vrouwen’ gedichten kunnen lezen. Hier dus: 

Bekijk mij

Bekijk mij nu, kijk mij aan. Ik bedoel
in mijn ogen. Zie mij staan. Ik ben
van het geslacht van de eisprong,
van de zijsprong, van het verborgen
bestaan, dat achteraan het huis
de dienstingang moet nemen.

Bekijk mij, bekijk me nu, kijk mij aan.
Ik ben vol van glinsterend verborgen
vocht. Ik ben van het geslacht van
opgehoopt vet, dat ondergedoken
in wulpse vormen mijn lichaam
gevaarlijk bekoorlijk maakt.

Bekijk mij, bekijk mij nu, uit het zicht
uit het licht van de loerende dag
voor de zon op mij kan schijnen.
Ik ben van het geslacht dat onderduikt
in ongeplooide meters, in lappen
zonder snit of knopen, in werkmansblauw.

Bekijk me, bekijk me gauw, voor ik
verdwijn in stof, zonder motieven

Verbeter mij

want men zei me dat ik een meisje was
en vroeg me of ik daar blij mee was
en of ik dan alle dagen op tijd
voor het eten zou zorgen.

En men zei dat ik onderdanig was
en geneigd om te volgen en dat ik
zou vloeien. Met regelmaat, en discreet
onder mijn rokken. Verbeter mij

want ik heb een naakte achterkant,
een rusteloos profiel en ik durf
op tafel slaan, zonder dat er deeg
ligt om te kneden, en ik kijk niet

altijd naar beneden. Verbeter mij,
als mijn blik te wild wordt of mijn tong
te scherp. Als de onrust van het vlees
mijn zinnen binnen dringt, verbeter mij.

Van bloed maak ik vruchten.
Dat kan niet te vertrouwen zijn.

Tem mij

Tem mij, bind mijn zuchten in,
geef mij een hoepelrok – of neen,
een strak korset – en demp mijn lach.
Leg alles vast vanuit centraal gezag
en tem mij, tem mij als ge kunt.

Probeer het. Er zijn zoveel manieren:
bind mijn voeten in of ring mij, ring
mijn hals met steeds meer ringen.
Verberg mijn haren, snoer mijn middel
stevig aan en sla mijn ogen neer.

Zeg me dat dat mooier is. Bepaal
mijn hele lot, mijn god, hoe kan ik
u bedanken? Want ongetemd bind ik
mijn borsten op tot bolle appels, ring
mijn vingers en leg golven in mijn haar,

laat grote stukken van mijn huid naakt
Het licht opvangen. En ongetemd kijk ik
argeloos in het rond met grote ogen.
Zelfs naar u, terwijl ik vraag: tem mij!

Met onderstaand gedicht won ik in 2006 de publieksprijs in de gedichtenwedstrijd op vrouwendag:

Wat vrouwen van alle kleuren kunnen
maken uit één groot wit laken

Doeken voor de kinderen,
doeken voor de neus en
voor de tranen uit je ogen.
Verband voor de wonden,
een sluier voor de zonden.

Een rok, een hemd,
een broek, een hoes voor
een verboden boek,
een handdoek voor de vaat
of iets dat nog niet bestaat.

Doeken om te zeven,
doeken voor nieuw leven,
slingers voor een feest.
Stroken om iets te binden,
linten om je weg te vinden.

Sterke touwen voor de vlucht,
doeken om een kind te dragen.
Lappen om alles schoon te
vegen, proppen om te stelpen.
Alles om te helpen.

En voor de donkerste dag:
een witte vlag